Trastevere

De Trastevere was de laatste van de veertien Augusteïsche gebieden en omvatte, samen met Isola Tiberina, de rechteroever van de rivier bij de Janiculum-heuvel. Van oorsprong bevond de Trastevere zich buiten het stadsgebied sinds het tijdperk van de koningen. De Janiculum-heuvels vormden een natuurlijke wal tegen Etrurië en waren dus onmisbaar in de verdediging van Rome. Toen in het republikeinse tijdperk de nieuwe haven werd gebouwd (in het huidige Testacciodistrict), kwamen er vele dienstgebouwen en onderkomens voor havenarbeiders en kooplieden. Deze ontwikkeling zette nadrukkelijker door in het keizerlijke tijdperk, toen handwerklieden, pottenbakkers, molenaars, kruiers en arbeiders samen met een groot aantal immigranten uit het Oosten zich hier vestigden. Onder de kerk Santa Cecilia (Via della Lungaretta), op de hoogte van het schip, zijn bouwwerken (borrea) uit het republikeinse tijdperk gevonden en een leerlooierij, aldus geïdentificeerd vanwege zeven halfronde kuipen. Op de Viale Trastevere, tussen de Via Montefiore en de Villa della VII Coorte, acht meter onder straatniveau bevindt zich het Excubitorium van de VIIe cohorte van wachters, de barakken van de wachters die toezicht hadden op twee van de Augusteïsche regio's (IX en XIV). De arbeiderssfeer van de wijk komt terug in de culten. Er was een grote joodse gemeenschap in dit gebied; het schijnt dat de oude synagoge naast de huidige Porta Portese stond. Er waren ook vele tempels opgedragen aan de godin Dia, Fors Fortuna (drie ervan, twee aan de Via Portuense) en de Divae Corniscae. Verschillende van deze kerkelijke gebouwen zijn ook gevonden in het gebied van de Porta Portese, Viale trastevere en nabij het Ministerie van Openbaar Onderwijs. Er waren ook vele heiligdommen voor oosterse culten, die als ontmoetingsplaats dienden voor buitenlandse gemeenschappen en nieuwe Romeinse volgelingen, onder andere een belangrijk Oudsyrisch heiligdom dat is ontdekt op de Janiculum.